Schermafbeelding 2014-12-14 om 15.52.15

Ik wil naar huis!

Een weekendje ertussenuit is drama, drie weken op vakantie is horror; ook volwassenen kunnen last hebben van heimwee. ‘Mijn eigen bed, mijn eigen geur, zelfs de bank zit hier lekkerder.’

Nederlanders reizen graag en veel.  Vorig jaar hebben we volgens de ANWB 18 miljoen buitenlandse vakanties geboekt. Zou het dáárom zo moeilijk zijn om toe te geven dat je eigenlijk het liefst op je eigen bank blijft? Niemand schrijft erover op Facebook, niemand vertelt erover op verjaardagen; heimwee is een taboe. En toch, zegt bijzonder hoogleraar klinische psychologie Ad Vingerhoets aan de universiteit van Tilburg, komt het veel vaker voor dan we denken. Wie het als kind heeft gehad, hoeft er later geen last meer van te hebben, maar wie van nature niet zo flexibel is of niet zo goed tegen veranderingen kan, loopt wel een groter risico op reisproblemen. Geen eetlust, hoofdpijn, buikpijn, steeds weer huilen en hoe mooi het strand ook is, alleen maar aan thuis kunnen denken: heimwee is niet om te lachen. Een paar eeuwen geleden werd het zelfs als dodelijk beschouwd, besmettelijk bovendien: geveld door niet eten en slecht slapen, gingen er hele legereenheden aan onderdoor.

Tegenwoordig stelt Vingerhoets heimwee op één lijn met rouw en liefdesverdriet. ‘Centraal bij alle drie staat gehechtheid. Als je heimwee hebt, ben je in feite verliefd op je thuissituatie.’ Geen angst voor het onbekende, maar juist extreem veel liefde voor je eigen huis met je eigen tv, je eigen bed en de poes zo gezellig op schoot. Geen wonder dat je dat mist als je weg bent, soms zo erg dat het echt niet meer gaat. De ANWB Alarmcentrale haalt per jaar ongeveer dertig lusteloze, sombere en zieke vakantiegangers op, mensen die op zoek naar de veiligheid van thuis soms de tent niet meer uit willen. Samen met een arts stellen ze de diagnose en regelen ze een vliegticket, een treinkaartje of zelfs een taxi naar huis, zolang het maar veilig en snel is.

Arme heimweelijders. Kunnen ze dan nooit meer op vakantie? Makkelijk is het niet, maar met behulp van cognitieve therapie en veel oefenen valt er wel iets aan te doen, zegt Marja Kuiper, psycholoog bij Instituut Angstoverwinning. Een autoritje naar de grens, dan een overnachting om te oefenen, de omgeving alvast verkennen met Google Maps en eenmaal op reis wat vertrouwde spullen mee. Want de hersens zijn een spier en die moet je trainen. (Al herinnert hoogleraar Vingerhoets zich een man die dankzij paracetamol ineens wél drie weken naar Noorwegen durfde. Placebo-effect of niet, het valt te proberen.) Maar gaat het desondanks toch mis, dan is er maar één medicijn: terug naar huis en nooit meer weg.

 

Nicolaas Klei (53, wijnkenner en columnist), Amsterdam.

Schermafbeelding 2014-12-14 om 15.53.16

‘Ik wil gewoon thuis zijn. Mijn broer had hetzelfde, mijn vader ook. We kunnen toch gezellig een dagje naar Artis in plaats van op vakantie, zei hij altijd. Mijn moeder had pedagogiek gestudeerd en dacht: dat kneden we er wel uit, jij gaat op de padvinderij. Hier in Amsterdam ging dat nog wel, maar het welpenkamp op Terschelling was een van de ergste vakanties van mijn leven. Ik hing elke dag huilend aan de telefoon: ik wil hier niet zijn, ik wil naar huis! Maar dat mocht niet.

Ik zou zelf nooit op vakantie gaan. Toen mijn vader ziek werd, heb ik hem jarenlang verzorgd, hier in het huis waar we sinds mijn 15de wonen. Daardoor kon ik niet langer dan een paar uurtjes weg. ‘Nou Klei, als je vader dood is, heb je geen excuus meer’, zeiden mijn vrienden. Waarom zou ik uit een koffer leven als ik ook hier kan zijn, met al mijn spullen en alle winkeltjes in de buurt?

Toch zijn we net een weekje weg geweest, want Marieke, mijn vriendin, vindt dat zo leuk. Al in december begint ze te vragen waar we in mei heen zullen gaan. Oh, dat is nog zó ver weg, denk ik dan, maar dan komen toch die koffers tevoorschijn. Dan word ik sombertjes, krijg ik buikpijn, loop ik door alle kamers en bedenk ik hoezeer ik ze ga missen.

Zes dagen is wel het maximum, al moet ik zeggen dat het me nu wel meeviel. Alhoewel, de hotelkamer in Londen was zo klein, dat het wel een gevangenis leek en ik snap de charme van die stad niet; de Theems, dat is toch een uitgesproken lelijke rivier? Maar het landhuis in Bath was heel mooi en er was genoeg te doen, dat is belangrijk. Het thuiskomen is elke keer heerlijk. Ik neem direct de post door, Marieke ruimt snel alle koffers op en daarna is alles net zo lekker knus en gezellig als altijd.

Persreisjes zijn nog erger, ik ga alleen nog maar als ik iets nieuws kan leren. Toch gaat ook dat vaak mis: de uitnodiging komt zo ver van tevoren dat ik overmoedig ja zeg. En dan zit ik ineens weer in Zuid-Afrika, na uren vliegen aan de matige wijn, en hoe chic het hotel ook is, buiten zit dan toch zo’n zielige dakloze familie, vreselijk. Het allerergste was een weekje meewerken tijdens de wijnoogst met dertig wildvreemde Fransen. Als zij ‘s avonds gingen feesten, liep ik in mijn eentje over een landweggetje verderop om naar huis te bellen. Net als op het welpenkamp.’

 

Arie Storm (50, schrijver en recensent), Amsterdam.

Schermafbeelding 2014-12-14 om 15.53.00

‘En nu allemaal stil, papa gaat een meesterwerk schrijven’ – daar ben ik niet van. Mijn bureau staat in de huiskamer, maar ik heb er geen last van als mijn vrouw en dochter zitten te praten. Sterker: ik zou willen dat ze hier heel de dag waren. Met het risico heel Frans Bauerig te klinken: ik ben gemaakt voor het gezin. Pas toen ik mijn gezin had, is het thuisgevoel gekomen en pas als ik thuis ben, voel ik me op mijn gemak. Dat gevoel heb ik nergens anders.

Thuis kom ik beter tot mijn recht, buiten staat toch vaak de rem erop. Al zie ik aan de overkant iemand lopen die ik echt aardig vind, mijn eerste neiging is om weg te duiken, dat is toch erg? Heimwee is weggaan van de plek waar je je het meest op je gemak voelt. Als er niemand langskomt, zit ik de hele dag in mijn badjas te werken. Ik ben geen mensenhater hoor, maar was het niet de filosoof Pascal die zei dat er veel minder oorlog zou zijn als iedereen thuis zou blijven?

Als ik dan toch weg moet, neem ik mijn gezin het liefst mee. Ik heb weleens gelezen dat Paul McCartney nooit één nacht zonder Linda heeft door-gebracht en eigenlijk wil ik zelf ook niet zonder mijn vrouw slapen. Soms moet het toch. Toen ik gastdocent was op een masterclass van literair agent Paul Sebes, moest ik twee dagen naar zijn kasteel in Frankrijk. Alleen: ze hadden mij in een gebouwtje met veertien bedden gelegd, helemaal alleen. Ik kon niet slapen, daarom heb ik elk bed geprobeerd, waarna ik me weer zorgen ging maken over de arme schoonmaakster die dan veertien bedden voor één man zou moeten verschonen, zodat ik tenslotte maar in bad ben gaan liggen, maar toen kreeg ik de kraan weer niet dicht. Het was een hel. Toen ik de volgende dag weer op Schiphol terugkwam, stonden mijn vrouw en dochter me op te wachten alsof ik drie jaar weg was geweest. Er was zelfs een ballon.

Waarom zou ik weggaan? Ik ben hier zo gelukkig, dat ik bang ben dat het weg is als ik terugkom. Van mijn vader en moeder hield ik niet, van ons huis in de Haagse Schilderswijk des te meer. Het is al lang geleden afgebroken, maar zoals Kousbroek al zei: geen nostalgischer heimwee dan die naar een plek die niet meer bestaat. Sommige mensen willen er vanaf, hun heimwee, maar ik wil het juist behouden. Nostalgie voor een plek die er nog is, dat is toch wel het hoogste dat je kunt bereiken.’

 

Angélique van Deursen (44), Helmond.

Schermafbeelding 2014-12-14 om 15.52.46

‘Onze huwelijksnacht brachten we in Emmen door. Overdag waren we naar de dierentuin geweest en ‘s nachts zouden we daar in een hotel slapen. Ik wilde zo graag dat het dit keer zou lukken. Maar in bed kon ik alleen maar huilen. Romantisch hè? De volgende dag zijn we teruggegaan. Ik ben nooit in het buitenland geweest, wel in Zeeland, Drenthe en het Eftelinghotel.

De nachten waren het ergst. Dan was ik constant heel zenuwachtig, ik kreeg hartkloppingen en ik werd misselijk, oh, afschuwelijk was dat. Pas als het weer licht begon te worden en ik een kop koffie dronk, dan ging het iets beter. Maar om vijf uur ‘s ochtends is er nog geen koffie, daarom nam ik altijd mijn eigen Senseo mee. Natuurlijk is het compleet irrationeel. Heimwee is angst zonder reden, maar het heeft geen zin om dat tegen mezelf te zeggen. Ik slik al kalmerings-pillen, het enige dat hielp is naar huis gaan. Als ik mijn man dan had overgehaald om wéér eerder terug te gaan, werden de zenuwen al minder en als ik dan de woonkamer weer binnenkwam, was ik altijd zo blij dat ik begon te huilen. Thuis is veilig. Helmond is mijn plek, ik zal nooit van mijn leven verhuizen ondanks de herinneringen aan het misbruik in mijn jeugd. Mijn eigen bed, mijn eigen geur, zelfs de bank zit hier lekkerder.

Voor ik mijn man ontmoette, ging ik nooit op vakantie en de eerste jaren dat we samenwoonden heb ik het nog wel kunnen tegenhouden. ‘Nee, we hebben net dure meubels gekocht’, zei ik dan. Of: ‘We moeten sparen voor de bruiloft.’ Zelf is hij vroeger overal geweest. Of ik hem alleen laat gaan? Nee! Dan heb ik weer heimwee naar hém. Inmiddels gaan we nooit meer op vakantie en dat vindt hij niet erg. We hebben hier in de tuin een mooie loungeset en een grote veranda en elk jaar kopen we iets leuks van het vakantiegeld: een nieuwe tv of nieuwe houten luxaflex. Wij kunnen dat allemaal niet betalen, zegt een kennis dan jaloers. Ja, jullie gaan drie weken naar Oostenrijk, denk ik dan. Maar ik ben er niks jaloers op.’

 

Debby (31, hoofd onderzoek bij een farmaceutisch bedrijf), Brabant.

Schermafbeelding 2014-12-14 om 15.52.35

‘We zijn net twee weken naar Zeeland geweest en over een paar weken gaan we naar Frankrijk, heerlijk. Al zet je ons midden in Azië, met mijn man en mijn dochter erbij kan ik heel de wereld aan. We hebben zelfs een half jaar in Amerika gewoond. Maar één nacht weg voor mijn werk, daar kon ik zo tegenop zien, dat ik er angstaanvallen van kreeg.

Ik dacht dat het gewoon bij me hoorde. Hockeykamp vond ik vroeger ook niet leuk, maar ik ging wel, omdat ik wist dat mijn tegenzin niet reëel was. Maar pas toen ik op mijn 17de mijn man in het dorp verderop leerde kennen en het serieuzer werd tussen ons, begon ik echt niet meer weg te willen. Het was net of mijn veilige punt dat zich vroeger in mezelf bevond, zich ineens naar hem had verplaatst. En toen vorig jaar onze dochter werd geboren, werd het nog erger. Raar, want er is vroeger niets traumatisch gebeurd, ik heb geen nare herinneringen aan vakanties.

Voor mijn baan moet ik vaak naar het buitenland om handjes te schudden en contacten te leggen, maar telkens als het ticket eenmaal was geboekt, begon het me te benauwen. Ik ging alleen als ik er niet onderuit kon komen en dan altijd zo kort mogelijk. De ergste keer was een week naar Florida. Er was niets vertrouwds op die reis, er waren geen leuke mensen, dus ik ging als een kip zonder kop aan de slag, zodat de dagen sneller voorbij zouden gaan. ‘s Avonds ging ik nog een paar uur fanatiek sporten, want zitten en nadenken was geen optie. Dan was ik bang dat de angst zou bovenkomen. Wat als er in mijn afwezigheid iets naars met mijn gezin zou gebeuren? Wat als het vliegtuig onderweg zou neerstorten?!

Uiteindelijk overtuigde een collega me dat er echt iets aan te doen is. In vijf sessies bij een therapeut ben ik erachter gekomen dat het mijn eigen gedachten zijn die me tegenhouden en dat ik die gedachten kan herprogrammeren. Want ik hou van mijn werk en ik hou van reizen met mijn gezin, waarom zou reizen voor mijn werk dan niet leuk zijn? Ik heb nu geleerd om mijn plezier niet te laten afhangen van het reisgezelschap, maar van mezelf. Binnenkort komt de grote test: dan ga ik opnieuw naar Amerika. Eigenlijk zeven dagen, maar het programma is net ingekort tot vijf, en nee, dat heb ik niet geregeld.’

 

Lien van Rijen (40, lerares biologie), Middelbeers.

Schermafbeelding 2014-12-14 om 15.52.15

‘Dat je vakantie niet leuk vindt juf!’ Mijn leerlingen snappen er niets van. En een collega zei: ‘Denk je eens in, een warm strand, palmbomen, zee. Zou je daar ook niet van willen genieten? Ik ken een therapeut die je zo van je heimwee af helpt.’ Maar ik dacht: dan moet ik daarna dus echt op vakantie? Nee! Ik werd al misselijk bij het idee.

Het gekke is dat het steeds erger wordt. Toen ik jong was, had ik de neiging om mezelf weg te cijferen, dan huilde ik mezelf stiekem in slaap in de tent. Met vrienden naar Salou ben ik nooit geweest, in plaats daarvan werkte ik in het pannekoekenrestaurant. Later ben ik weleens drie weken met een vriendje naar Duitsland geweest. Dat was gewoon dom. Dat wist ik van tevoren ook wel, maar je bent verliefd en je wil je niet laten kennen. Uiteindelijk zijn we na twee weken teruggegaan. Ik denk dat 70 procent leuk was en 30 procent vervelend, alleen gaan die nare momenten steeds meer overheersen. Ik word ziek en chagrijnig, ik wil alleen nog maar huilen, ik ga mopperen en ik krijg overal pijn. En nu ik ouder word, heb ik helemaal geen zin meer om dat te verbergen. Ik weet wel dat het nare gevoel na een uurtje weer overgaat, maar ik weet ook dat het net zo hard weer terugkomt. Ik kijk liever hier in de tuin de Tour de France.

Ik ben als de dood dat vriendjes mij een weekendje weg geven. Of het nou Maastricht of Parijs is, als ik er een nacht moet blijven is het allemaal even erg. Leuk gezelschap, een fantastische plek, het helpt niet. Weg is weg.

Mensen die mij goed kennen, beschermen me tegen mezelf. Want soms word ik overmoedig. Ik zou namelijk best graag wíllen, vooral naar Barcelona. Ach, zullen we toch niet een weekendje boeken, zeg ik dan tegen mijn beste vriendin, het gaat vast wel. ‘Nee Lien’, antwoordt ze dan. ‘Straks is het zover en dan wil je niet meer.’ Ze heeft gelijk. Op Lowlands twee jaar geleden zat ik ook in de tent te huilen. Als er ooit weer een leuke vent komt, dan moet het wel een latrelatie worden, want ik ga niet verhuizen. Ik wil best een nachtje bij hem blijven slapen, als ik de volgende dag maar gewoon terug naar huis kan. Oh, dat klinkt ongezellig hè?’

(Foto’s: Eric Smits)