Schermafbeelding 2019-03-29 om 12.16.38

Dataseksueel

Stappen, slaapuren, calorieën, ademhaling, bloed, darmflora, alcoholpercentage; de oprukkende dataseksueel telt, meet en
verzamelt alle mogelijke gegevens over zichzelf. Heilzaam of obsessief?

Swipe je als vrouw op Tinder éérder naar rechts tijdens je ovulatie dan tijdens je menstruatie? Ahnjili ZhuParris, een Amerikaanse uitwisselingsstudent aan de Radboud Universiteit, besloot het uit te zoeken. Ze monitorde zes maanden lang haar eigen gedrag, zette de verzamelde cijfers om in grafieken en kwam tot een paar interessante conclusies. Ja, ze bewoog haar tindervinger precies 10,6 procent vaker naar rechts tijdens de vruchtbare periode rondom de ovulatie, en bovendien vaker bij mannen die een spierbundelachtig sportschoolkiekje als profielfoto hadden. Ook haar koopgedrag analyseerde Ahnjili: elke maand bestelde ze evenveel kleding, maar, opvallend: alléén tijdens haar ovulatie kocht ze rode kleding. En misschien de meest typische ontdekking: terwijl ze eigenlijk nooit naar bepaalde hiphop luisterde, had ze een dag of zes per maand ineens een curieuze voorkeur. Ironisch, in een filmpje waarin ze de resultaten van haar zelfonderzoek presenteert: ‘Ik heb geleerd dat 50 Cent vrij accuraat voorspelt wanneer ik vruchtbaar ben.’

Dataseksuelen, worden ze ook wel genoemd: het soort mens dat álles bijhoudt. Van zichzelf, welteverstaan. Niet alleen meten ze dagelijks zaken als hun eigen hartslag, aantal stappen en verbrande calorieën, maar bijvoorbeeld ook slaapkwaliteit, stemming en ovulatie, bekeken films en genoten alcohol. En die groep mensen groeit. ‘Er komt een intiem technologische revolutie aan’, schreef het Rathenau Instituut, een onderzoeksbureau naar de invloed van technologie, in 2017 in een rapport over de meetbare mens. ‘Het menselijk lichaam is een kwantificeerbaar object geworden, een verzameling nullen en enen die je kunt meten, uitlezen, manipuleren, monitoren, pimpen en verbeteren en waarop je kunt ingrijpen, bezuinigen, sturen en controle uitoefenen.’ En dat is mooi. Want je eigen data bijhouden, maakt je gezonder, productiever en gelukkiger – zeggen de dataseksuelen.
Daarom houdt Mandy Groenewegen (28, marketeer) dagelijks in zelfgetekende schema’s bij hoe haar stemming was en of ze zich aan haar goede voornemens houdt, zoals of ze alcohol drinkt, gesport heeft, groente heeft gegeten, voldoende water heeft gedronken en o ja, de planten water heeft gegeven. Daarna kijkt ze naar de planning van morgen, werpt misschien nog even een blik op de lange termijndoelen achterin het boekje en knipt dan het licht uit. ‘Bullet journalling is een avondroutine, zoiets als tandenpoetsen. Als ik zie dat ik al mijn doelen heb behaald, geeft me dat het gevoel dat ik lekker bezig ben.’ Maar gaan veel van die dingen niet onbewust al goed, of zou Mandy zonder bullet journal echt niet sporten? ‘Ik denk niet dat ik het slechter zou doen zonder, maar ik doe het veel beter mét. Het maakt mijn dag visueel en het geeft me het gevoel dat wat ik doe, meetbaar is.’

En precies daarom nam Peter Joosten (34, wetenschapper) vorige maand dagelijks een kleine dosis LSD. Zou het zogenaamde microdosing, een trend onder alternatieve wetenschappers, hem daadwerkelijk creatiever en productiever maken? Helaas: hij werd er vooral wat warrig van. Maar niet getreurd, de auteur van het boek ‘Biohacking, de toekomst van de maakbare mens’ en enthousiast verzamelaar van eigen data ging gewoon door met een volgend experimentje op eigen lichaam en geest. Een maand lang geen koffie drinken, bijvoorbeeld, bleek hem vijf procent betere nachtrust op te leveren. Net als ’s avonds geen non-fictie lezen, maar romans: hop, weer een paar procent betere slaap. Opgewekt: ‘Hoe meer kennis je hebt van het menselijk lichaam, hoe beter je kunt presteren.’

Joostens bestaan als dataseksueel begon simpel met een rondje hardlopen: ‘Ik wilde elke keer harder rennen. Daarbij hielp het om mijn hartslag en gemiddelde snelheid bij te houden. Toen dacht ik: waarom zou ik mezelf ook niet op andere gebieden met data kunnen verbeteren?’ Een slaapmeter volgde, een stappenteller, apps op de telefoon. Tot hij elke dag een uur bezig was eigen data te meten, van gewicht, BMI, lichaamstemperatuur, slaapkwaliteit en ademanalyse (voor het ketogene dieet waar hij tegelijkertijd mee experimenteerde) tot aan een darmfloratest (‘Ik stuurde af en toe samples poep naar het lab’), een bloedtest en een stresstest met een hartband die zó lastig omging dat zijn vriendin er elke ochtend geïrriteerd wakker van werd. Stond Joosten in de kroeg met vrienden, dan ging hij liever eerder naar huis om zijn aantal geslapen uren te verbeteren dan nog een biertje te nemen. Data verzamelen was geen middel meer, maar een doel op zich. ‘Ik vroeg me af: waar ben ik eigenlijk mee bezig?’

Dat is precies wat critici zeggen. Een obsessie met productiviteit, noemen denkers als de invloedrijke technologiescepticus Evgeny Morozov onze moderne voorliefde voor apparaten als calorieëntrackers en slaapmeters. ‘Eten moet productief gebeuren, zelfs je slaap moet productief zijn’, zei Morozov, die overigens ook de term ‘dataseksueel’ bedacht, in een interview – en dat kan toch niet zijn waar een mensenleven om draait?

Misschien niet, maar dat we de afgelopen jaren steeds meer van data zijn gaan houden, is wel duidelijk. Geen wonder: algoritmes op Spotify voorspellen bijna foutloos wat voor muziek je wil horen, de techniek achter datingsapps als Parship matcht je met je perfecte partner. Data zijn de nieuwe waarheid, lijkt het. ‘Data zijn een spiegel die nooit liegt, zegt Joosten. Wie af wil vallen maar denkt dat hij niet zoveel eet, krijgt met een calorieëntracker bijvoorbeeld de échte feiten in plaats van een aanname. Data maken zelfs gelukkiger, pleit hij: wie dankzij een slaapmeter beter slaapt, kan zich overdag écht mentaal beter voelen.

Net als de bedrijven die datadiensten aanbieden, komt ook de verheerlijking ervan uit de buurt van Silicon Valley, waar in 2008 twee redacteuren van het technologie tijdschrift Wired begonnen hun eigen medische gegevens te verzamelen en te delen met anderen. Quantified Self, noemen ze hun beweging, en ze geloven heilig in de heilzame werking van selftracking. Ook in Nederland is er inmiddels een Quantified Self-afdeling, waarvan dataverzamelaar Peter Joosten, ja, die van de minidoses LSD, oprichter en voorzitter is. Al besteedt hij er tegenwoordig geen uur per dag meer aan, hij geniet nog steeds van het ontdekken van nieuwe inzichten over zichzelf. Of zoals Reid Hoffman, de oprichter van LinkedIn formuleert: ‘Een manier om erachter te komen dat er foutjes zitten in je eigen software, en dat het tijd is voor updates.’

Je gegevens bijhouden wordt ook steeds makkelijker. Op elke nieuwe iPhone zit standaard een gezondheidsapp, en wie heeft er tegenwoordig géén stappenteller? ‘Ja, we hebben als maatschappij steeds meer aandacht voor gezond leven’, zegt Rik Crutzen. Hij doet aan de universiteit van Maastricht onderzoek naar psychologie en gezondheid en herkent de enorme populariteit van apps en wearables. Het past bovendien bij het individualisme: de heersende opvatting dat we zélf verantwoordelijk zijn voor eigen leven, inclusief succes, geluk en gezondheid. Die maakbaarheidsgedachte heeft negatieve gevolgen, zoals fatshaming, denkt Crutzen, maar ook positieve. Het idee dat je jezelf gezond kunt máken met behulp van hartslagmeters, stappentellers en calorietrackers, bijvoorbeeld.

Apps hebben inderdaad een globaal positief effect op de fysieke activiteit, schreef het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde al in 2016. ‘Het effect op voeding en gewicht is onduidelijk, maar de trend is dat ze het voedingspatroon verbeteren.’ Ook hoogleraar gezondheidspsychologie Andrea Evers, verbonden aan de universiteit van Leiden, ziet de voordelen van wearables en gezondheidsapps. Maar om échte gedragsverandering te bereiken, is wel meer nodig dan een simpele app, zegt ze. ‘In tegenstelling tot wat fabrikanten ons graag doen geloven, is gezond leven een stuk complexer dan alleen je eigen data verzamelen.’ Het is de bedoeling dat je er vervolgens iets mee doét. Je bedenken waarom je precies af wil vallen en zorgen dat je het vervolgens ook volhoudt, bijvoorbeeld, die tienduizend stappen per dag. Maar over het algemeen zijn Andrea Evers en Rik Crutzen het eens: je eigen data verzamelen kan een mooie eerste stap zijn op weg naar een gezonder leven. Voor de meeste mensen, dan.

Anna (23, student) vond zichzelf niet dik, maar echt happy was ze ook niet. ‘Maar toen ik een Fitbit nam, bij een roeivereniging ging en stopte met roken, volgde het gezonder leven vanzelf.’ Met de app MyFitnessPal zag Anna precies wat ze aan calorieën binnenkreeg, met de Fitbit exact wat er weer verbrand werd. ‘Ik viel ongeveer een halve kilo per week af, het ging lekker steady.’ Tot ze de fitgirls op Instagram begon te volgen, geen koolhydraten meer nam en wel héél precies bij ging houden wat ze at: zeven gram pindakaas op brood, nooit meer taart en in plaats van de geliefde pasta met buitenissig veel mozzarella en twee potjes pesto, hoogstens een handje 30+ kaas over de spaghetti. ‘Ik sloeg er een beetje in door. Op de weegschaal stond 61 kilo, dat is voor iemand van 1 meter 80 best weinig.’

Toch is Anna, inmiddels weer op normaler gewicht, niet negatief over gezondheidsapps an sich. ‘De meeste mensen in de westerse wereld zijn nu eenmaal niet zo gezond, voor hen kan het geen kwaad. Maar de ironie is: de mensen die er het fanatiekst mee bezig zijn, die zijn vaak al heel gezond. Laatst sprak ik een vriendin. In de manier waarop ze praatte, hóórde ik mezelf terug: dit kan ik niet eten, dat niet en wat ik wel eet, hou ik precies bij. Ik wist meteen dat ze My FitnessPal had geïnstalleerd. ‘Gebruik die app niet te lang’, waarschuwde ik, ‘dat is niet goed voor je.’ ‘Ik word er nú al gestresst van’, bekende ze.’

Minder gezond worden van je gezondheidsapp, dat kan niet de bedoeling zijn. Toch ontdekten onderzoekers pasgeleden dat veel mensen die een slaap-app gebruiken, daar juist minder goed van gingen slapen: hoe het precies komt is onduidelijk, maar het zou kunnen dat die focus op slapen de totale ontspanning niet ten goede komt. En trouwens: is het ook niet een beetje navelstaarderig, zo focussen op de -toch vrij voorspelbare- data die je zelf produceert? In plaats van te werken aan je eigen medische autobiografie , zou je ook een film kunnen kijken of iets anders doen dat nieuwe, frisse inzichten oplevert, toch? ‘Ja, ik snap dat het wat narcistisch overkomt’, zegt auteur Peter Joosten, ‘maar neem Wikipedia: dat is gebouwd doordat mensen al hun kennis hebben samengevoegd. Als wij op die manier onze gezondheidsdata verzamelen, samenvoegen en delen met onderzoekers, kan dat misschien wel leiden tot nieuwe medische inzichten, die mensen kunnen genezen.’

Want dat is natuurlijk wat we zijn: geen machines, maar mensen. Die soms ineens verliefd worden, een been breken of doodgaan, zonder dat de data dat voorspeld hadden. Je kunt immers nóg zoveel stappen tellen of slaap meten, maar het leven is uiteindelijk niet zo controleerbaar als die geruststellend overzichtelijke apps doen lijken – helaas. Is dat misschien juist waarom ze zo populair zijn? Zoals Peter Joosten zegt: ‘Het ideale leven modelleren is niet mogelijk, maar we doen wel een poging.’