Schermafbeelding 2016-03-29 om 17.42.42

‘Lijden hoort bij het leven. Je hoort het met opgeheven hoofd te doen.’

“Vorig jaar kwam ik op 10 juli aan in Frankrijk. Mijn koffer zat vol boeken over Ted Hughes en Sylvia Plath, het beroemde dichtersechtpaar. Jarenlang had ik alles over die twee gelezen, omdat ik wist dat ik ooit nog wilde schrijven over dat gepassioneerde, heftige huwelijk. Maar hoe? Die eerste avond las ik de inleiding die Ted had geschreven bij de dagboeken van Sylvia, en opeens wist ik: dat is het. Ik ga schrijven vanuit de man die zo verraden is door de biografen. Ik word zíjn stem. Op 11 juli ben ik begonnen, zielsgelukkig. O heerlijk, dacht ik, ik ben weer bezig.

Met afgrijzen had ik bestudeerd hoe Ted Hughes altijd werd afgeschilderd als de echtgenoot die zijn vrouw had verraden omdat hij verliefd werd op een ander. Vrij bespottelijk: het mooie van samenzijn is dat je altijd een beetje schuldig bent aan het verdriet én aan het geluk van de ander, maar niet aan zelfmoord. Daar houdt het op. Jezelf willen wegwissen, is een heel destructief verlangen waar mensen vaak al levenslang mee bezig zijn. En als iemand het wél doet om de ander de schuld te geven, vind ik het een onethische daad. Daarom vond ik dat Ted Hughes’ kant van het verhaal moest worden gehoord. Natuurlijk had ik medelijden met het lot van Sylvia Plath, maar de dode lijdt niet meer en Hughes moest verder leven na de zelfmoord van zijn vrouw. Zelfmoordenaars hebben geen talent voor lijden, vermoed ik weleens.”

Overgeleverd aan de wolven
“De gruwel van de zelfmoord van een geliefde ken ik niet, maar ik weet wel hoe het is om verder te moeten na de dood, en wat het is om terug te kijken. Rouw is vreselijk. Als iemand doodgaat, duwt het lot jouw bestaan in een bepaalde richting en ben je overgeleverd aan de wolven. Je moet het verduren. Maar het is óók de prijs voor de grote liefde die je hebt mogen ervaren, een liefde waarvoor je zelf hebt gekozen. Daarom vind ik dat lijden bij het leven hoort: je hoort het met opgeheven hoofd te doen. Afgelopen maand ben ik zestig geworden. Zoals alle mensen met een licht romantische inslag had ik nooit verwacht het te zullen halen. Jong sterven kan nu dus niet meer. ‘Dit hoor je te vieren’, zei mijn uitgever, daarom heb ik hier thuis een groot diner gehouden met mijn broers, mijn geërfde kleinkinderen en mijn alleroudste vrienden – ook een beetje in herinnering aan alle kerstavonden die Hans (van Mierlo, red.) en ik hier jarenlang met vrienden en familie hebben gevierd. Wij waren dan volgens de traditie dágen bezig met koken, boodschappen halen, zalm kopen in IJmuiden… Het cliché is waar: tijd is in het begin je ergste vijand omdat je de dagen stukslaat en heel veel lijdt, maar op een dag merk je dat diezelfde tijd de grote genezer is. Vijfeneenhalf jaar na zijn dood heb ik me verzoend met het lot en ben ik dankbaar voor de mooie herinneringen. Je raakt bevriend met het verdriet. Het diner heb ik deze keer laten cateren, koken zonder Hans zou me toch te zwaar vallen. Nee, die traditie… dat moet maar even niet.”

Een nieuw boek gloort
“Ik denk niet dat ik deze ode aan de liefde had kunnen schrijven zonder mijn eigen ervaringen met de dood. Het was niet moeilijk om me te verplaatsen in Hughes’ rouw, sterker nog: ik heb nog nooit een boek zó snel geschreven. Maar om zoiets twee keer mee te maken, nee. Dat is voor niemand nodig. Toen mijn eerste man Ischa (Meijer, red.) doodging, moest ik nog veertig worden en wist ik zeker dat ik nog een keer zou liefhebben. De liefde is bij uitstek het terrein waar je jezelf leert kennen door de ander. Ik had zo veel van hem geleerd, het zou onzin zijn als ik vanaf dat moment als non was gaan leven. Maar nu? Ik denk niet dat ik een derde keer zo verliefd zou kunnen worden. Niet uit angst voor de dood, maar het verlangen naar samensmelting, naar de intense, symbiotische relatie die Ted Hughes en Sylvia Plath ook hadden, die is verdwenen. Vriendschap, dat is wat me nu gelukkig maakt. En schrijven, dat sinds ik alleen ben nóg belangrijker is geworden. Natuurlijk is deze periode van lezingen geven ook leuk, maar schrijven is zo zelfvoorzienend: je doet iets wat jou gelukkig maakt en je hebt er verder niemand bij nodig, geweldig. Toen Jij zegt het in juni dit jaar af was, was ik uitgeput en miste ik Hughes en dat geluksgevoel. Maar ik heb altijd nieuwe ideeën. Waar het over gaat, zeg ik niet, dat is de duivel verzoeken. Een nieuw boek gloort aan de horizon, dat maakt me absoluut gelukkig.”

MEER OVER CONNIE
Na een jeugd in Limburg vertrekt Connie Palmen (25 november 1955) naar Amsterdam om Nederlands en filosofie te studeren. In 1991 debuteert ze met haar roman De wetten. Later volgt De vriendschap. Over de dood van haar eerste grote liefde Ischa Meijer schrijft ze I.M. en Geheel de uwe. Vanaf 1998 heeft ze een relatie met politicus Hans van Mierlo, tot zijn overlijden in 2010. Haar nieuwste boek  ligt nu in de boekhandel.