Schermafbeelding 2017-04-28 om 12.16.32

Er is leven na de fles

Als hij geld had, was het sterke drank, anders gewoon bier en alleen in zeer schrijnende gevallen dat van Euroshopper. Hij had tenslotte nog wel enige vorm van klasse, hield hij zichzelf voor. Als hij tegenwoordig een zwerver fotografeert, denkt hij weleens: misschien ben ik net op tijd een andere richting in geslagen.

De ellende begon met een boek. Het contract was er al, hij moest het alleen nog schrijven.

Túúrlijk, doe ik even, had hij gedacht toen de uitgeverij hem vroeg: blijkbaar was zijn verhaal, door een lerares ingestuurd naar een wedstrijd, goed genoeg om Maarten van der Kamp (34) op z’n 16de ineens schrijver te laten zijn (al las hij bijna nooit en schreef hij eigenlijk ook niet, maar wat maakte het uit). Het had hem zelfs al een column bij Trouw opgeleverd. Toch tijd zat, nu hij van school was gestuurd en van de leerplichtambtenaar dankzij diezelfde column nooit meer terug hoefde naar de klas.

Het was alleen jammer dat zijn redacteur na de eerste zestig kantjes mailde dat zijn boek leuk was, maar dat ze de verhaallijn miste. Als een trein waar aan de noodrem wordt getrokken, liep alles vast. Zijn zelfvertrouwen was in een keer weg. Hij kreeg geen woord meer op papier. Wat hij precies dacht, staat hem niet meer helder voor de geest, maar het voelde alsof hij een kans had verprutst. En dus vond hij het wel lekker om een beetje weg te zijn.

Drinken tegen de paniek

Zijn vader, een klassiek zanger, was vaak voor optredens in het buitenland dus hij zat meestal alleen op de woonboot. Beetje met het drumstel en de vleugel te spelen. In het begin belde de uitgever nog, maar dan nam hij niet op. Hij moest wel opletten dat er voor hij ging slapen nog minimaal vier halve liters in de koelkast stonden, anders durfde hij de volgende dag de deur niet uit. Dan was-ie alleen maar angstig en onzeker. Drinken tegen de paniek, paniek door het drinken, zo reeg hij de dagen aan elkaar en niemand had het door.

Wat hij deed, die achtenhalf jaar? Ja, niet zoveel eigenlijk. Hij is een tijdje model geweest tot hij ‘s nachts na een broodje shoarma in elkaar werd geslagen door dronken voorbijgangers; gebroken kaak, dode tanden, dat zag er niet uit natuurlijk. De Rietveld Academie hield na een jaar ook al op voor het echt begon. In de kantine verkochten ze Maes Pils en in de houtwerkplaats timmerde hij voornamelijk pingpongtafels in elkaar.

Hij is ook nog een tijdje getrouwd geweest, met een schrijfster. Dat was leuk, in het begin. Ze trouwden in het geheim, met haar uitgever en de redacteur als enige getuigen. Als ze hun leven weer op orde hadden, zouden ze een groot feest geven en het al hun vrienden vertellen, was het plan. Ze heeft het nog lang volgehouden, zegt hij nu.

Hun scheiding leek iets te veranderen. Hij paste daarna een paar weken op het huis van de ouders van een ex-vriendin, en eigenlijk was hij net zo’n beetje gestopt met drinken, toen er in de koelkast een krat Jupiler bleek te staan. In twee weken tijd bouwde hij in een roes het hele huis om tot opnamestudio, met kabels van het drumstel in de kinderkamer naar de ‘echokamer’ in de douche, waarbij hij het geheel had gedecoreerd met overgeverfde deuren en ketchupschilderijtjes aan de wand.

Maar waarom hij zichzelf uiteindelijk écht een week op bed heeft gehouden, trillend en zwetend, met als enig gezelschap spa rood, was omdat hij een meisje dat hij maar een beetje kende ‘s nachts een bericht had gestuurd dat het niet goed met hem ging. Of ze naar hem toe wilde komen. Hij wist dat ze een vriend had. Gek genoeg herinnert hij zich dat altijd als het keerpunt: het stond zo ver af van hoe hij wilde zijn. Het kon gewoon niet meer. Na het afkicken kwam de wereld weer binnen zoals die echt was. Vrienden waren afgestudeerd, hadden een huis en een baan, iedereen was lekker op weg, en hij was bijna 26 en nog nergens. Hoe het ging, wat hij deed, het waren vragen waarvoor hij bang was. Hij bleef weg bij zijn eigen verjaardagsdiner in het restaurant waar de hele familie zat te wachten. Dat het meestal nogal vaag was waar hij woonde, kwam goed uit: dan kwam er tenminste niemand kijken. Het duurde nog een tijd voor de paniekaanvallen verdwenen.

Dit gebeurt gewoon

 

Toen kocht hij met wat geld dat hij met klusjes voor vrienden had verdiend een camera. Voor schrijven bezat hij niet de concentratiespanne, dat was inmiddels wel duidelijk. Voor muziek ook niet. Maar aan fotografie vond hij alles interessant en dus moest dat het maar worden. Anders wist hij het ook niet meer. Het begon met wat bruiloften vastleggen, bedrijfsportretten maken. Niet iets waarvan hij echt gelukkig werd.

Vanaf zijn 27ste werd het obsessiever. Hij kocht een analoge camera, ontwikkelde zelf de rolletjes en bouwde een doka in de badkamer; langzaam begon hij de techniek te snappen. Dat moet handiger kunnen, dacht hij als hij iets las. Ging hij eigenwijs zelf het wiel uitvinden, waarbij hij meestal uitkwam bij wat er al op internet stond. Maar ja, de camera beheersen was één ding; hij moest ook iets hebben om te maken.

Pas toen hij in september 2013 drie ouwetjes voor de Febo zag staan, wist hij het. Eentje hapte in een kroket, ze keken alledrie recht in zijn lens, hij klikte een nanoseconde vóór ze bedachten wat ze daar eigenlijk van vonden – en hij dacht: kijk, dit gebeurt gewoon, en niemand ziet het! Maar nu wel! Toen wist hij: nu is het tijd om er eens iets van te gaan maken.

Terugkijkend was het natuurlijk debiel om drie jaar elke dag, acht uur lang, over straat te lopen. Obsessief, zou je ook kunnen zeggen. Toch deed hij het. Wakker worden, kleren aan en naar buiten. Ook als het kutweer was, of saai, of koud. Als je er niet bent, ga je het sowieso niet tegenkomen, hield hij zichzelf streng voor als hij geen zin meer had. Lopen en kijken, lopen en kijken. Het bleek gewoon te kunnen, recht in iemands gezicht een foto maken, hoe eng het in het begin ook was. Mensen werden helemaal niet zo vaak boos. Eén keer heeft iemand geprobeerd zijn camera in de gracht te gooien: de vriend van een hoogleraar. Toen dat niet lukte, smeet hij zijn muts in het water.

Heeft hij de drank voor de fotografie ingewisseld? Misschien. Maar ja, als hij iets doet, is dat ook wat hij doet. Soms levert die obsessie veel ellende op, en soms werkt het. Begin dit jaar werd hij benaderd: zou hij het leuk vinden een boek te maken?

Van alcoholist tot professionele fotograaf

Poeh, een boek was ooit het begin van alle problemen. Maar dit keer moest het lukken. Hij at er brood met plastic kaas voor, sliep minimaal en besteedde al zijn geld aan film. Halverwege moest hij de Leica-lens waarmee hij alle vorige foto’s had geschoten, verkopen om rekeningen te betalen. Nee, bij anderen durfde hij allang niet meer aan te komen. Toen de proefdruk van het boek klaar was, ging het weer even mis; het werd ineens zo echt, zo fantastisch, dat het gewoon te veel werd om te verwerken. Laveloos van de wodka zat hij in zijn doka. Kennelijk weet hij dan geen andere uitweg dan zichzelf even uit te schakelen.

Maar het is gelukt. Op 4 november is De Amsterdammers verschenen, Maarten van der Kamps allereerste boek. Sommige van de bijna voyeuristische, precies op het juiste moment geschoten close-ups doen denken aan de foto’s van Ed van der Elsken, maar wie hij echt bewondert, zijn de straatfotografen Tony Ray-Jones en Garry Winogrand. ‘Photography is the closest I come to not existing’, zei die laatste. ‘Which is the best.’

 

Fotografie: Maarten van der Kamp
Maarten van der Kamp, De Amsterdammers, uitgeverij Das Mag, euro 24,95